Potentieel foerageergebied bepalen
Op basis van bestaande kennis is eerst beoordeeld welke wateren geschikt kunnen zijn als foerageergebied. Daarbij is onder meer gekeken naar waterdiepte, bodemtype en de mogelijke aanwezigheid van voedsel.
Kuifeenden en tafeleenden eten verschillende soorten fauna en plantaardig materiaal. Mossels vormen een belangrijke voedselbron. Daarom is ook onderzocht welke mossels op verschillende locaties aanwezig waren.
Mossels en schelpen bemonsteren
Op 47 meetpunten zijn bodemmonsters genomen met een bodemhapper. De opgeviste mossels en schelpen werden vervolgens uitgezocht, gedetermineerd, gewogen en in kaart gebracht.
Stagiair Rick Dekker leverde een belangrijke bijdrage aan dit deel van het onderzoek. Op kantoor sorteerde en woog hij het verzamelde materiaal en verwerkte hij de resultaten. Zo ontstond een beeld van de beschikbare mosselsoorten op de bemonsterde locaties.
De quaggamossel bleek op veel onderzochte plekken dominant aanwezig. Op locaties waar ’s nachts grote aantallen duikeenden werden waargenomen, werden daarnaast relatief veel Aziatische korfmossels gevonden. Dat is een interessante aanwijzing, maar het onderzoek toont niet aan dat de eenden deze mossels daadwerkelijk aten. Daarvoor is aanvullend dieetonderzoek nodig.
Uitvlieg- en nachttellingen
Rond zonsondergang zijn uitvliegtellingen uitgevoerd bij bekende dagrustplaatsen. Daarbij registreerden de onderzoekers hoeveel eenden vertrokken en in welke richting ze vlogen.
Vervolgens zijn tijdens drie nachten tellingen vanaf een boot uitgevoerd. Warmtebeeldkijkers maakten het mogelijk om groepen eenden in het donker op te sporen en te tellen. Deze methode bleek zeer bruikbaar, al blijft nachtelijk veldonderzoek uitdagend.
Wat zijn de belangrijkste resultaten?
Duikeenden verlaten hun rustplaatsen na zonsondergang.
De uitvliegtellingen laten een duidelijk patroon zien. Vanaf ongeveer 40 tot 80 minuten na zonsondergang verlieten grote aantallen duikeenden hun dagrustplaatsen. Zij vlogen vervolgens naar rivieren, kreken en andere wateren om te foerageren. De spaarbekkens vervullen daarmee vooral een functie als veilige dagrustplaats. Het foerageren vindt voor een belangrijk deel elders plaats.
Wat betekent dit voor bescherming en beheer van duikeenden?
Verstoring verdient daarbij bijzondere aandacht. Duikeenden hebben in de winter voldoende energie nodig om te overleven. Wanneer vogels tijdens het rusten of foerageren regelmatig worden opgejaagd, verliezen ze energie en hebben ze minder tijd om voedsel te zoeken of te rusten.
Het advies is daarom belangrijke foerageergebieden ‘s nachts periodiek te monitoren. Een frequentie van eens per drie jaar kan inzicht geven in veranderingen in aantallen, verspreiding en gebiedsgebruik.
“Nachtelijk onderzoek maakt zichtbaar welke gebieden overdag misschien rustig of zelfs leeg lijken, maar na zonsondergang een belangrijke functie krijgen. Die kennis helpt provincies en terreinbeheerders om maatregelen beter te onderbouwen en bescherming op de juiste locaties te richten,” aldus Cornelis Fokker.
Vervolgonderzoek naar kuifeenden en tafeleenden
Het onderzoek geeft nieuwe inzichten, maar roept ook vervolgvragen op. Zo zou GPS-zenderonderzoek nauwkeuriger kunnen laten zien hoe individuele eenden zich tussen rust- en foerageergebieden verplaatsen. Om vast te stellen welke mosselsoorten daadwerkelijk worden gegeten, is dieetonderzoek nodig.
Nachtelijk watervogelonderzoek als basis voor gericht beheer
Door dagtellingen te combineren met uitvliegtellingen, warmtebeeldonderzoek en onderzoek naar voedselbeschikbaarheid ontstaat een completer beeld van het leefgebied. Dat biedt provincies en terreinbeheerders concrete aanknopingspunten voor Natura 2000-monitoring, gebiedsbescherming en ecologisch beheer.
Wil je weten hoe Ecoresult onderzoek naar watervogels kan inzetten voor jouw gebied of beheeropgave? Neem contact met ons op over duikeendonderzoek, Natura 2000-monitoring en ecologisch beheer.